Faillissement-verkoop modezaak: wie betaalt de BTW aan de fiscus?

Geplaatst op

Aansprakelijk voor btw

Een modezaak had voor haar financiering de voorraden kleding in haar winkel verpand aan de bank. Dit is een gebruikelijk beding wanneer banken een financiering verstrekken op basis van de waarde van de voorraden. Een verpanding van de voorraden biedt de bank een extra zekerheidsrecht, aangezien het pandrecht haar de mogelijkheid biedt de voorraden executoriaal te verkopen ingeval de onderneming de aan haar verstrekte lening niet meer af kan lossen. Meestal is er dan sprake van een faillissement.

Wanneer de bank overgaat tot verkoop van de voorraden dan kan dat middels een openbare verkoop, oftewel via een veiling. Daarnaast kan de bank in overleg met de curator, en na verkregen toestemming van de rechtbank, ook overgaan tot een onderhandse verkoop. Ook die verkoop wordt gezien als een uitvloeisel van het pandrecht.

Het faillissement van een modezaak heeft onlangs geresulteerd in een beslissing van de Hoge Raad over de vraag wie de btw af moet dragen die bij een onderhandse verkoop verschuldigd is. In de gegeven situatie was de bank met de curator van de modezaak overeen gekomen dat de winkels gedurende enkele weken heropend zouden worden, dat de bank de kosten daarvan en de kosten van het personeel zou betalen, en dat zij de verkoopopbrengst van de verpande kleding zou ontvangen. De rechtbank heeft hier toestemming aan verleend. De Hoge Raad besliste, zoals zij al eerder had gedaan, dat een verkoop door een pandhouder, op basis van haar pandrecht, nog steeds als een verkoop door de failliete modezaak moet worden gezien. De bank verkrijgt niet de kleding maar mag deze direct namens de failliete zaak verkopen. Dat betekent dat de btw-verplichting met betrekking tot die verkoop bij de failliete onderneming ligt terwijl de bank wel de gehele opbrengst inclusief de btw mag gebruiken om de financiering af te lossen.

Nu geldt er sinds enkele jaren bij de verkoop op grond van een pandrecht voor de btw  de verleggingsregeling. Dat houdt in dat bij verkoop door de bank aan een ondernemer, de bank geen btw mag berekenen, en zich daarop mag verhalen, maar dat de kopende ondernemer de over de levering verschuldigde btw zelf moet aangeven (en in aftrek kan brengen. Deze maatregel werkt niet in deze situatie omdat de bank de kledingvoorraad in de heropende winkels rechtstreeks aan consumenten verkocht. De belastingdienst heeft tevergeefs geprobeerd om de btw in dit geval toch bij de bank te innen. De Hoge Raad wees die vordering dus af.

Inmiddels is op 1 januari 2018 een nieuwe aansprakelijkheidsregeling in werking getreden (artikel 42d Invorderingswet). Op basis van deze regeling zijn banken, en andere financiers, die een pandrecht uitoefenen door de winkelvoorraad rechtstreeks aan consumenten te verkopen, direct aansprakelijk voor de over die verkopen aan de fiscus af te dragen btw. De aangifte- en afdrachtsplicht ligt voor de btw dan nog steeds bij de failliete winkel, maar op basis van de aansprakelijkheidsregeling zal de bank hiervoor op gaan draaien. Banken en vooral andere financiers die een pandrecht hebben bedongen op een winkelvoorraad, doen er goed aan hier rekening mee te houden wanneer zij tot verkoop overgaan.