De Hoge Raad parkeert zijn eigen visie

Geplaatst op

Nieuwsbrief PT Henk 2

Op 17 augustus 2018 heeft de Hoge Raad (nr. 16/05128) beslist dat het gebruikmaken van parkeergelegenheid voor een auto op de plaats van bestemming, voor een automobilist in beginsel een doel op zich vormt. Volgens de Hoge Raad wordt dit niet anders als de parkeerterreinen alleen plegen te worden gebruikt door de bezoekers van die bestemming.

Het ging in deze procedure over de exploitant van een Nationaal Park die bij de verschillende ingangen van dat Park aparte parkeerterreinen had aangelegd voor zijn bezoekers. Meer in het bijzonder ging het om de vraag of het 6%-tarief dat geldt voor het toegangskaartje voor het Nationaal Park ook zou mogen gelden voor het parkeerkaartje. Dat zou (alleen) kunnen als het toegangskaartje en het parkeerkaartje betrekking hebben op één enkele prestatie. Dit kan onder de volgende omstandigheden het geval zijn:

  • in de situatie waarin twee of meer handelingen of elementen van een handeling zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief één onderdeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn;
  • wanneer één of meer elementen de hoofdprestatie vormen, terwijl de andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Hiervan is sprake als de bijkomende prestatie voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om van de hoofdprestatie van de dienstverrichter optimaal gebruik te kunnen maken.

De vraag of het parkeren van de auto bij de ingang van het Nationaal Park de mogelijkheid tot het bezoek aan het Nationaal Park optimaal maakt, moet volgens de Hoge Raad worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gemiddelde bezoeker. Dit uitgangspunt lijkt hoop te bieden voor een gunstige uitslag van de exploitant. Helaas…, als het ware in één adem doet de Hoge Raad vervolgens een stapje terug en merkt dan op dat als binnen de kring van de bezoekers van het Nationaal Park het belang van de mogelijkheid tot parkeren onderling verschilt, dat een aanwijzing vormt dat geen sprake is van een bijkomende prestatie die in het fiscale lot van de hoofdprestatie (de entree van het Nationaal Park) moet delen. Als andere criteria noemt de Hoge Raad de omstandigheid dat voor het parkeerkaartje apart moet worden betaald en het feit dat de bezoeker van het Nationaal Park een keuze heeft om wel of niet zijn auto op het parkeerterrein te parkeren.

En dan komt de Hoge Raad helaas niet met een eigen visie op deze criteria maar grijpt hij terug op de oordelen van het gerechtshof die, volgens de Hoge Raad, geen blijk geven van een onjuiste opvatting en “als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst”. Zelfs het feit dat de parkeerterreinen geen andere functie hebben dan voor de bezoekers van het Nationaal Park doet er volgens de Hoge Raad dan niet meer toe.

Is parkeren bij een van de in post B14 van Tabel I genoemde attracties nu per definitie belast met 21%? Het arrest van de Hoge Raad biedt (gelukkig) nog een klein sprankje hoop voor een andere uitkomst. Deze hoop is gegrond op de fraaie woorden ‘in beginsel’ die de Hoge Raad aan zijn beslissing vooraf laat gaan. Daarmee is er dus niets nieuws onder de fiscale zon: de feiten bepalen het fiscale gevolg.

Deel dit artikel via LinkedIn