Herziening / teruggave van BTW bij gemeenten en provincies op investeringen die in eerste instantie alleen voor overheidsdoeleinden zijn gebruikt

Geplaatst op

Herziening - teruggave

Herziening / teruggave van BTW bij gemeenten en provincies op investeringen die in eerste instantie alleen voor overheidsdoeleinden zijn gebruikt

Publiekrechtelijke lichamen, zoals gemeenten en provincies hebben voor de BTW-heffing een ‘gemengd’ karakter. Voor een deel van hun activiteiten kwalificeren zij als BTW-ondernemer en voor een ander deel gelden zij als niet-ondernemer, zoals dat bijvoorbeeld geldt voor overheidsdiensten. Denk hierbij aan de afgifte van paspoorten en het bestuur van de gemeente. In de afgelopen periode heeft het Europese Hof van Justitie zich uitgelaten over de mogelijkheid voor een Poolse gemeente (Gmina Ryjewo, C-140/17) om de aankoop-BTW te herzien van de bouwkosten van een dorpshuis dat in eerste instantie uitsluitend voor niet-ondernemer doeleinden in gebruik is genomen. Al ruim voor deze ingebruikname van het dorpshuis was de gemeente door de Belastingdienst geregistreerd als BTW-ondernemer. Tijdens de lopende herzieningsperiode voor dit dorpshuis (in Nederland is deze periode 10 jaar) is de gemeente het dorpshuis gaan gebruiken voor met BTW belaste ondernemersprestaties. Om die reden kwam de vraag aan de orde of de gemeente op grond van de herzieningsbepalingen alsnog een evenredig deel van de aankoop-BTW van dit dorpshuis kon terugvorderen in nog resterende jaren van de herzieningsperiode voor het deel van het dorpshuis dat voor ondernemersdoeleinden wordt gebruikt. De Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie was van mening dat herziening mogelijk zou moeten zijn, omdat de betreffende bepaling in de BTW-richtlijn daarvoor inmiddels ruimte lijkt te bieden. Het Hof van Justitie gaat in zijn uitspraak echter niet in op deze wijziging van artikel 187 lid 2 van de BTW-richtlijn maar wijst wel op zijn eerdere rechtspraak die is gebaseerd op de inmiddels vervallen tekst van deze bepaling. In die rechtspraak oordeelde het Hof van Justitie consequent dat bij ‘sfeerovergang’ van gebruik van een investeringsgoed voor niet- ondernemersactiviteiten naar gebruik voor (belaste) ondernemersactiviteiten geen aanspraak bestaat op herziening van de BTW die als niet-ondernemer is betaald. Hierbij was steeds het uitgangspunt dat de betreffende aankoop als niet-ondernemer had plaatsgevonden. In dit recente arrest lijkt het Hof van Justitie zijn eerdere standpunt echter te nuanceren. Het Hof van Justitie kent hierbij belang toe aan de aard van het investeringsgoed (naar zijn aard zowel voor belaste als voor niet-belaste handelingen te gebruiken). Als bij aankoop niet uitdrukkelijk is verklaard dat het voornemen er is om het investeringsgoed op enig moment te bestemmen voor belaste ondernemersactiviteiten, maar dit ook weer niet nadrukkelijk is uitgesloten, lijkt het Hof van Justitie aan te nemen dat de gemeente bij aankoop van een dergelijk ‘gemengd’ investeringsgoed steeds handelt als BTW-ondernemer. Hierdoor is het mogelijk geworden om de herzieningsbepalingen (toch) toe te passen en vormt een tijdelijk gebruik als niet-ondernemer dus geen verhindering (meer) om in latere jaren, als er sprake is van belast gebruik, toch nog een deel van de investerings-BTW te kunnen terugvorderen. Kortom, er is alle aanleiding voor gemeenten (en provincies) om voor gebouwen waarvoor de herzieningsperiode nog niet is verstreken te onderzoeken of er op grond van de herzieningsbepalingen mogelijkheden zijn om aankoop- of investerings-BTW die eerder niet (volledig) kon worden teruggevorderd alsnog (eventueel gedeeltelijk) in aftrek te brengen.